Pagina 11 van 14

119.10 Tracheotomie en tracheostoma

Bij een (dreigende) afsluiting of een vernauwing van de luchtpijp of trachea zijn maatregelen nodig om de zorgvrager onbelemmerd te laten ademhalen. Zo nodig kan de arts de zorgvrager intuberen. Afhankelijk van de aanleiding kan hij er ook voor kiezen een tijdelijke of blijvende tracheostoma aan te brengen en daarin een tracheacanule te plaatsen. Een tracheostoma ontstaat na een tracheotomie (operatieve opening van de luchtpijp). Na de tracheotomie of luchtpijpsnede kan een canule ingebracht worden. Vervolgens kan de zorgvrager indien nodig via de tracheacanule worden beademd. De ademhaling wordt hierbij geregeld door een machine en vindt geheel buiten mond, neus en strottenhoofd plaats. De zorgvrager wordt vaak met behulp van medicijnen suffig gehouden.

Een tracheostoma kan tijdelijk of blijvend zijn.

Een zorgvrager met een tracheostoma.
Tijdelijk stoma Blijvend stoma
Hierbij wordt alleen een snede gemaakt in de tracheavoorwand, die vervolgens aan de huid van de hals wordt gehecht, zodat de luchtpijp normaal kan blijven functioneren. Hierbij wordt de trachea in zijn geheel doorgesneden of verwijderd en met het uiteinde, van de longen af, aan de huid van de hals gehecht. Het strottenhoofd met stembanden kan nu niet meer normaal functioneren, omdat er geen verbinding meer is tussen de luchtpijp en de mond- en keelholte.

Bij een normale tracheotomie (niet spoedeisend) ligt de zorgvrager met zijn hoofd zo ver mogelijk naar achter gebogen. Dit veroorzaakt de nekpijn die de zorgvrager na de ingreep heeft.

De plaats waar de canule moet worden ingebracht, wordt bepaald aan de hand van een röntgenfoto. De chirurg maakt vervolgens een verticale incisie door de tweede, derde en vierde kraakbeenring van de luchtpijp.

Na de incisie wordt een korte gekromde buis in de trachea ingebracht. Op de tekening zie je de huidsnede (a) en de opening die in de kraakbeenringen is gemaakt (b).

De arts plaatst nu de tracheacanule met ballon of cuff in de trachea. Deze ballon wordt, in tegenstelling tot de ballon van een urinekatheter, gevuld met lucht. Als een met vocht gevulde cuff zou barsten, zou de vloeistof namelijk een ontsteking in de longen kunnen veroorzaken. In de cuff moet een zodanige hoeveelheid lucht worden geblazen dat er geen inademingslucht langs de canule kan ontsnappen. De hoeveelheid wisselt per zorgvrager. Met behulp van de cuff-drukmeter kun je controleren of de cuff (nog) voldoende gevuld is. De cuff heeft ook tot doel de canule te fixeren. Bij een tijdelijke stoma, waarbij nog een verbinding bestaat met de keelholte, voorkomt de cuff bovendien aspiratie van voeding en vocht.

De tracheacanule wordt in de trachea op zijn plaats gehouden door middel van een opgeblazen ballon, de cuff.

11.19.10.1 Indicaties

De redenen voor het aanleggen van een tracheostoma zijn divers:

  • afwijkingen in het lumen van de luchtpijp: gezwellen of een blokkade van de luchtwegen door een vreemd lichaam in de keel;

  • dreigende afsluiting van de luchtpijp door druk van buitenaf: bloedingen en oedeemvorming;

  • dreigende afsluiting van de luchtpijp door interne oedeemvorming: allergie, ontsteking, bestraling of verbranding.

  • verlamming van de slik- en ademhalingsspieren door een neurologische ziekte van het verlengde merg of ruggenmerg, bijvoorbeeld een hoge dwarslaesie;

  • voor het wegzuigen van diep slijm: bij comateuze zorgvragers of zorgvragers die zeer veel sputum produceren, maar niet meer in staat zijn dit op te hoesten;

  • beademing via een tube, wanneer na drie tot vier weken beademen via de neus of de mond nog geen zicht is op detubatie (weghalen van de tube).